Daglonershuisje

Nederland was in de 19e eeuw voornamelijk agrarisch, maar lang niet iedereen bezat een mooie boerderij. Veel dagloners verhuurden zich als seizoensarbeiders die weinig verdienden. Zij hadden geen eigen huis en grond en waren min of meer gedwongen om zich buiten het dorp te vestigen. Daar leefden ze in eigen bouwsels, vaak meer een hut dan een huisje (ecologisch maar dan noodgedwongen zeg maar!). Sommige werden in de loop der tijd verbeterd tot eenkamerhuisjes met een wat langere levensduur.

Het gerestaureerde daglonershuisje naast het museum werd in 1877 gebouwd. Dit huisje is weer geheel ingericht in de sfeer van vroeger tijden en geeft bezoekers een realistisch beeld geeft van de ruimte en vooral van de beperkingen van een dergelijk onderkomen. Het huisje is een symbool van de strijd om een - zeer eenvoudig - bestaan als dagloner.

Eerlijk kostgewin
Daglonershuisje
Daglonershuisje

Het daglonershuisje is een symbool van een voorbije tijd. Een tijd van kleinschaligheid en eenvoud. in 1877 bouwt Cornelis Bobeldijk het huisje om er met zijn gezin te wonen. Na een ziekbed van vijf jaar overlijdt hij in 1882 op 34-jarige leeftijd en laat zijn vrouw Grietje met vier kleine kinderen achter.

Grietje verkoopt het huis in 1883 voor 500 gulden aan Klaas IJven en zijn vrouw. Tien jaar later overlijdt Klaas. Zijn weduwe Wilhelmina (Wultje) IJven-Blom erft het huis met inboedel bestaande uit:

- linnen en kledingstukken fl. 300,00
- twee veren bedden met toebehoren fl. 150,00
- houten meubelen fl. 85,00
- porselein, glas en aardewerk fl. 25,00
- uurwerk, schilderijen en spiegels fl. 15,00
- keuken en huishoudelijk gereedschap fl. 25,00
Tezamen de somma van fl. 600,00

Rond 1896 komt haar zoon Louwrens (huisschilder) met zijn dove echtgenote Pietertje Meurs bij haar inwonen. In 1899 wordt hun eerste kind Klaas geboren. Louwrens verdrinkt in april 1902, hij is dan 35 jaar oud. Na zijn dood wordt in januari 1903 dochter Louwrentia geboren.

Zoon Klaas wil boer worden en begint met het houden van geiten en schapen. Buurman en boer Piet Sierks helpt hem hierbij. In de winter staan de dieren in het achterend van het huis. In het voorjaar broedt er een kip op zolder. In 1925 laat Klaas voor het vee een houten schuur met betonnen vloer bouwen op de plek waar nu het museum staat.

Vanwege de beperkte ruimte op het erf en in het huis verhuist Klaas in 1931 naar een nabijgelegen boerderij. Het huisje wordt in de loop van de tijd verhuurd aan verschillende bewoners, onder anderen aan een gezin met vijf kinderen. Het is moeilijk je voor te stellen dat er zeven mensen op zo weinig vierkante meters hebben kunnen wonen.

In 1891 schreef Louwrens IJven het volgende versje:

Al is mijn woning juist niet groot
Ik leef er naar mijn zin
Ik weet van geen behoefte of nood
Ik heb Goddank mijn daaglijks brood
Door eerlijk kostgewin